Geïnspireerd door het werk van Pablo Picasso en de strategie van Ryanair, wil ondernemer Michael Boot van bio-olie producent Vertoro ‘s werelds eerste duurzame oliemaatschappij maken. ’Je moet je product uitkleden tot de essentie.’  

Wie denkt dat vernieuwing en innovatie gepaard moeten gaan met ingewikkelde, imponerende technische vindingen die slechts voor weinigen te begrijpen zijn, is bij Michael Boot aan het verkeerde adres. Boot is mede-oprichter van Vertoro, een spin-off van de TU Eindhoven die lignine-olie uit biomassa produceert als vervanger van aardolie. Hij houdt het graag simpel. ‘Het is eigenlijk net koffiezetten. We lossen de vaste biomassa op in een verwarmde vloeistof, sturen het door een filter, en we hebben “groene” olie.’  

Ook de ambities van het bedrijf vat hij eenvoudig samen: Vertoro wil ‘s werelds eerste duurzame oliemaatschappij te worden. En om serieus mee te spelen in de wereld van Big Oil moet je het zo simpel mogelijk houden, aldus Boot en zijn team, want anders verlies je het van een industrie die een optimalisatievoorsprong van zo’n 150 jaar heeft. ’In de academische wereld wordt complexiteit nog steeds gezien als een asset, terwijl het in de wereld daarbuiten vooral als een liability geldt.’  

Jouw pleidooi voor een simpel verhaal valt op in een wereld waarin veel universitaire spin-offs er juist prat op gaan dat ze iets heel ingewikkelds hebben uitgevogeld.  

‘Dat is ook niet heel gek, want de incentives liggen nou eenmaal anders. Binnen de academie is nog steeds een Science of Nature paper het hoogst haalbare en daarvoor geldt: hoe complexer, hoe beter. Wat je vervolgens ziet is dat een enthousiaste wetenschapper die op basis van zo’n paper een bedrijfje begint, in eerste instantie veel heeft aan die complexiteit. Dat wekt bewondering, er worden prijzen gewonnen, grants binnengesleept en het is eerst heel succesvol. Een paar early investors vinden lukt ook nog wel, want die zijn ook onder indruk van hoe knap het allemaal is. Maar zodra je de stap van het lab naar een pre-commerciële schaal moet maken, komt de realiteit van de markt om de hoek. Dan blijkt dat de waarde van jouw product, bijvoorbeeld een biobrandstof of een bioplastic, al min of meer vastligt. Dat zijn grote markten en de prijs van het product kan niet door een enkele speler worden beïnvloed. Met als gevolg dat de marge afhankelijk is van de complexiteit van je product. Hoe moeilijker, hoe minder er onder de streep overblijft.’ 

Maar jullie gaan die valkuil omzeilen?  

‘Wij hebben besloten om het juist heel anders te doen en alles tot de essentie uit te kleden. Ik heb ook een MBA gedaan en daar raakte ik geïnspireerd door de casussen over SouthWest Airlines en Ryanair. Die bedrijven hebben heel goed gekeken naar wat de klant eigenlijk wil, namelijk van A naar B worden gebracht, en hun dienst tot die essentie teruggebracht. Alle extra’s, van mooie outfits voor de stewardessen tot luxe zoutjes en drankjes tijdens de vlucht, dragen bij aan de kostprijs, maar niet in even grote mate aan de waarde voor de klant. Dat hebben die prijsvechters heel goed gezien. Bij Vertoro proberen we ook op die manier ernaar te kijken. Dat zit ook in onze naam, die heeft eigenlijk twee betekenissen.’ 

’Wat is ruwe olie nou eigenlijk anders dan een mengsel van vloeibare koolwaterstoffen?’

Twee? Ik dacht dat het over ‘groen goud’ ging.  

‘Ja, maar ook “ver toro”, als in “zie de stier”. Picasso heeft een serie schilderijen gemaakt van een stier die hij stapsgewijs terugbrengt tot de essentie. Het begint met een stier in alle details en steeds verdwijnt er iets totdat er slechts een paar lijnen overblijven en toch weet je als kijker: daar staat een stier. Ik las later dat deze serie ook een favoriet was van Steve Jobs en bij Apple zag je dat terug in het design. Waar een afstandsbediening van Philips wel 50 knoppen had, kwam Apple met een versie met maar twee knoppen en daar kon je ook alles mee.’ 

Michael Boot, Vertoro

Michael Boot, Vertoro

Beeld: Rob van Hoorn

Hoe vertaalt dit alles zich naar jullie duurzame olie? 

‘Wij komen vanuit de wereld van de wetenschappelijke excellentie waarin het steeds complexer werd. Superkritische vloeistoffen, heterogene katalyse, waterstof; alles werd uit de kast gehaald om uit biomassa mooie moleculen te maken in hoge opbrengsten. Allemaal prachtig, maar wie zit daar op te wachten? At the end of the day proberen we een alternatief voor fossiele olie te maken en wat is ruwe olie nou eigenlijk anders dan een mengsel van verschillende vloeibare koolwaterstoffen? Dat is de essentie van ruwe olie. Het probleem van biomassa is dat het vast is, en dan is het niet zomaar te verwerken. Als ik een baal hooi bij Shell in Pernis neerzet, kunnen ze er niks mee. Maar als ik er een vat olie neerzet, dan kunnen ze dat wel ergens in de raffinaderij toevoegen. Beetje de zaken bijstellen hier en daar, maar dan weten ze wel wat ze moeten doen. Dus dat is wij doen: van vaste biomassa een mengsel van koolwaterstoffen maken dat vloeibaar is onder atmosferische condities. Dat is het uitkleden tot de essentie. De grootste waardestap zit in de overgang van vast naar vloeibaar, als je dat kunt leveren, dan ben je er.  Zie het als “Ryanair-olie”. Ingewikkelder hoeft niet.’  

Maar jullie olie is anders qua samenstelling.  

‘Ja, onze olie bestaat uit aromaten, de lignine, opgelost in alcoholen. Dus ook een mengsel van koolwaterstoffen, vergelijkbaar qua viscositeit, [lachend], het is ook bruin en het belangrijkste: het is vloeibaar bij atmosferische condities. Daar zit de waarde in, want daardoor kun je het goed transporteren, verwerken in de legacy assets van de fossiele industrie en je kunt het in een verbrandingsmotor injecteren. Dat lukt je niet met een baal hooi of een klomp steenkool. Van alle koolstofdragers, of het nou fossiel is of uit biomassa, heeft de vloeibare vorm de hoogste waarde.’  

En dan gebruik je die bio-olie gewoon als aardolie?  

‘Je kunt op biomassa op twee manieren inzetten ter vervanging van fossiele olie. Je kunt het introduceren in producten door blends te maken. Dat is bij ABS [acrylonitril-butadieen-styreen, een veelgebruikte thermoplast, red.] gedaan en dan krijg je een kunststof die best wel op ABS lijkt. Maar dat willen producenten niet, die willen gewoon ABS maken. De andere optie is om je “groene” koolstof zo vroeg mogelijk in het proces te injecteren. Dan gaat het meteen mee in de raffinage en zijn de verdere producten net zo als iedereen is gewend. En bij een raffinaderij is de FCC [fluid catalytic cracker, red.] de meest logische plek om onze bio-olie in te brengen en dan verwerk je het verder als aardolie.’  

‘Van alle koolstofdragers heeft de vloeibare vorm de hoogste waarde’ 

Dus als basis voor brandstoffen en voor chemicaliën? Maar is het niet zonde van de lignine met die gewilde aromaten om daar gewoon brandstof van te maken?  

‘Ook hier kijken we er weer anders tegenaan. Vanaf de start denken we niet zozeer aan wat we met ons product willen doen, maar denken we in termen van het bedrijf dat we willen zijn. Het doel van Vertoro is om een duurzame, grote oliemaatschappij te worden. Een Oil Major, maar dan met bio-olie. En dan is het slim om te kijken hoe de fossiele bedrijven dat hebben aangepakt, want die sector is gewoon ongelooflijk succesvol. Dan zie je dat al die bedrijven een 90:10 ratio hanteren: 90 procent van de productie is voor energietoepassingen, dus brandstoffen, en 10 procent is voor chemicaliën. Maar de waarderatio is precies andersom, want die 10 procent chemicaliën zorgt voor 90 procent van de winst. Dus dat proberen wij ook. De bulk van onze productie is voor energie en een klein deel voor high-end toepassingen, zoals de productie van farmaceutische ingrediënten of polymeren op basis van de aromaten uit lignine.’ 

Jullie maken hier op Chemelot op demoschaal bio-olie, maar hoe zie je het opschalen naar het niveau van Big Oil voor je? Hoe gaan jullie je daar invechten?  

‘Daar kan op drie manieren. Zelf fabrieken bouwen voor de productie van lignine-olie, maar dat vraagt veel investeringen en kost veel tijd. Licenties op onze technologie verkopen en zelf niks bouwen, maar dan worden we geen Oil Major. Of, wat wij gaan doen, een hybride model waarin we een minderheidsbelang nemen in de plants die onze licentienemers gaan bouwen. Dan hebben we een zetel in het bestuur bij al die bedrijven en dan worden we via een soort franchisemodel ’s werelds eerste sustainable Oil Major.’ 

Maar hoe ga je je inkopen bij al die nog te bouwen fabrieken?  

‘Het lijkt misschien gek, maar er is geld genoeg in de markt als je maar met grote projecten komt, waarmee je meteen een flinke slag slaat. De olieindustrie is een miljardenbusiness, dus je moet meteen groot inzetten om serieus genomen te worden door investeerders.’  

En wie zijn de beoogde licentienemers?  

‘Partijen die droge biomassa hebben, zoals bedrijven die hout of landbouwproducten verwerken. Qua gebruikers is voor ons de maritieme sector een belangrijk startpunt, want zij moeten voldoen aan de EU-directive voor advanced sustainable marine fuels. Zij moeten dus duurzame brandstoffen gaan gebruiken. Deze richtlijn geeft aan welke grondstoffen meetellen en een daarvan is tweede generatie bioethanol.

Wij hebben nu een project met Raízen, een joint venture van Shell en het Braziliaanse Cosan. Zij produceren bioethanol uit suikerriet en uit de bagasse, de stengels en bladeren, ook tweede generatie bioethanol, maar met wat er dan nog overblijft kunnen ze nu verder niks. Dat verstoken ze, maar dat levert meer energie dan ze nodig hebben en de restwaarde is beperkt. Maar tweede generatie bioethanol is goedgekeurd als scheepsbrandstof volgens die EU-richtlijn. Die kun je dus meteen verkopen. En als je die bagasse, die rijk is aan lignine, in vloeibare vorm omzet door het op te lossen in de bioethanol die er toch al is, maak je van de vaste lignine een liquid carbon carrier. De calorische waarde van lignine is per ton weliswaar gelijk aan die van ethanol, maar door de veel hogere dichtheid van lignine per volume-eenheid, zeg maar een volle tank, heeft lignine ruim 50% meer calorieën dan ethanol. En omdat door die EU-richtlijn scheepsbrandstoffen nu veel meer opleveren, schiet de waarde van je product wel 100x omhoog. Een partij als Raízen kan dan in plaats van één, twee producten maken in dezelfde plant. Daardoor gaat hun kostprijs per producteenheid weer omlaag.

Hoe meer “groene” moleculen we gaan maken, die bovendien een hogere volumetrische energiedichtheid hebben, hoe meer de kostprijs per joule, zal dalen. Dan kun je als producent kiezen of je meer marge pakt of je marktaandeel gaat vergroten. Zo kunnen wij via de premium die nu voor scheepsbrandstof geldt, groeien in die markt.’  

‘Er valt niet op te concurreren tegen een volledig geoptimaliseerde industrie met bijna afgeschreven plants’ 

Je hebt een duurzame agenda, maar je bewondert het businessmodel van de verguisde fossiele sector en dat wil je kopiëren. Hoe valt dat in de groene sector? En hoe kijk jij naar de discussie over samenwerking tussen universiteiten en fossiele bedrijven? 

‘Ik geloof niet in degrowth. Onze hele geschiedenis laat zien dat de mens standaard vervalt in een streven naar maximale luxe. Dat vind ik ook geen probleem, maar waar we nu mee kampen met het gebruik van aardolie is dat de tijdschalen niet zijn opgelijnd. We gebruiken de fossiele koolstof in zo’n hoog tempo dat de opname het niet kan bijbenen. Daar moeten we iets aan doen, we moeten die koolstofcyclus echt sluiten en dat kan met bio-olie. Ons doel is om de mate van luxe die we nu hebben te behouden, maar dan op een duurzamere manier. De snelste en goedkoopste manier om te de-fossilizen is mét en door de olie-industrie. Niet er omheen, dat duurt veel te lang en wordt veel te duur, want er valt niet op te concurreren tegen een volledig geoptimaliseerde industrie met bijna afgeschreven plants. De oproep om niet samen te werken met de fossiele industrie vind ik daarom nogal myopisch en ook hypocriet, want al die tegenstanders willen ook op vakantie en comfortabel wonen.’ 

Wat hebben jullie nu nodig om verder te komen? Iets als bijmengverplichtingen?  

‘Die bijmengverplichtingen zijn al in werking door de EU Renewable Energy Directive en dat helpt zeker, want dan concurreren we niet meer direct met de producten van Big Oil, wat onhaalbaar is, maar met andere “groene” producenten. En dat zijn we de beste van die duurdere opties. Het andere wat nodig is, is een sense of urgency dat er iets moet veranderen.’ 

Dan bedoel je op politiek niveau? 

‘Ja, maar dat moet via de kiezers gaan. Politici doen wat de kiezers willen, dus als het volk echt een duurzame verandering wil, dan gaat het ook gebeuren.’  

  

CV Michael Boot 

Michael Boot

Beeld: Rob van Hoorn

2017 Mede-oprichter en co-ceo Vertoro 

2016 Fellow biomass valorization into chemical and fuels, (part-time), TU Eindhoven   

2011 - 2017 Mede-oprichter Salvage Rivale  

2010 -2015 Innovatie manager / universitair docent, TU Eindhoven 

2010 PhD TU Eindhoven  

2008 - 2017 Mede-oprichter Progression Industry